Noord-Korea is het moeilijkste visa dat ik ooit heb gekregen, de meest bizarre reis die ik ooit heb gemaakt, en de ervaring die het langst is bijgebleven. Je kunt er alleen heen met een erkende touroperator en een Noord-Koreaanse gids die continu aanwezig is. Alles is geregisseerd. En toch heb ik er echte momenten gezien die ik nooit vergeet.
Pyongyang — de perfecte stad
Pyongyang is ontworpen. Elke brede boulevard, elk monument, elk gebouw communiceert dezelfde boodschap: dit is de glorieuze natie. De straten zijn schoon — schoongeboend. Er is vrijwel geen verkeer. Het metro-systeem is het diepste ter wereld (om als bunker te dienen bij oorlog) en de stations zijn versierd met mozaïeken van socialistische glorie.
Gewone Pyongyang-bewoners rijden de metro. Ze lezen kranten, spelen spelletjes op hun telefoon, houden de bagage vast van oudere medepassagiers. Hetzelfde als in elke andere stad. En dat is het meest onthutsende: de normaliteit.
Bij het Mansudae Monument — de twee gouden standbeelden van de Kim-dynastie — word je geacht te buigen. De gids legt uit waarom. Ik sta erbij en denk: dit is hoe je religie maakt van politiek.
De DMZ — de gevaarlijkste grens ter wereld
We bezoeken Panmunjeom — de demilitarized zone — vanuit Noord-Koreaanse kant. De blauw-grijze VN-conferentiegebouwen staan precies op de grens. Een Noord-Koreaanse soldaat staat strak voor het gebouw. Aan de andere kant: een Zuid-Koreaanse soldaat. Ze kijken elkaar niet aan.
Ik sta letterlijk op de grens tussen twee werelden en hoor de gids uitleggen hoe het westen de oorzaak is van de opdeling. Even later kijk ik door een telescoop naar de andere kant — gewone mensen die hun leven leiden. De absurditeit van grenzen.